Eén doorlopende camerabeweging. Deze unieke stijlkeuze van het drama Birdman or (The Unexpected Virtue of Ignorance) kan compleet langs je heengaan of je hele kijkervaring bezighouden. De poging van de filmmakers om de illusie vast te houden dat alles in één shot van twee uur is vastgelegd, is spannend. Het zijn alleen de eerlijke frustraties over kunstcritici ín het verhaal die veel interessanter zijn.
Birdman is een film die mooi het grensgebied opzoekt tussen kunstfilm en publieksfilm en is het spiegelbeeld van zijn protagonist Riggan (Michael Keaton). Waar hij met zijn Broadway-theaterstuk zich los wil schudden van succesvolle superheldenfilms en zijn mainstream blockbusterpubliek, probeert deze arthousefilm zich aantrekkelijk te maken voor het ‘gewone’ volk die zo’n drama niet zo snel aanzet.
Dit doet het op een aantal manieren. Ten eerste door de creatieve toevoeging van superkrachten die, ondanks het technisch gezien in het midden gelaten wordt, enkel in Riggans hoofd gebeuren. Ten tweede door de referenties naar de filmindustrie en de superheldenrage op Deadpool-achtige metaniveau, maar dan zonder de humor. Ten derde door de links met de realiteit. Zo heeft niet alleen Riggan autobiografische trekjes – zelfs los van Michael Keatons Batman-verleden – maar ook het heerlijke personage Mike, die geïnspireerd is door de fantastische (of nouja vreselijke) reputatie van acteur Edward Norton, die hem niet geheel toevallig ook in de film speelt.
Ondanks deze toevoegingen blijft het hangen in het creatieve, wat minder toegankelijke karakterdrama dat het is. Wat mij betreft wordt dit juist onderstreept door de overdreven stijl van de Mexicaanse regisseur Alejandro González Iñárritu. Hij neemt hier, net als in zijn andere films Babel en The Revenant, zichzelf en zijn prachtige beelden nét iets te serieus. Het is superknap en mooi om te zien hoe zijn twee recentste films haast één doorlopend shot lijkt te zijn. Zo’n ambitieus (en soms onnodig) idee lijkt alleen wel de filmequivalent van Riggans Broadway-stuk. De film lijkt bíjna zelfreferentieel als het Riggans motivatie voor acteren (en specifiek dat theaterstuk) koppelt aan zijn held die hem ooit dronken een compliment gaf.
Eén moment in Birdman laat precies zien hoog het zichzelf heeft zitten. Dat moment is wat mij betreft de minst subtiele, ongenuanceerde uithaal naar critici aller tijden. Riggan spreekt in een bar de enige persoon aan die hij wil wegblazen met zijn stuk: de invloedrijke theatercriticus voor de New York Times. Ze vertelt daar dat ze sowieso de negatiefste recensie ooit zal schrijven over zijn stuk, simpelweg omdat ze vindt dat Riggans motivatie verachtelijk is. Ze weet dat ze hiermee zijn droom vernietigd, maar zij haat dan ook filmacteurs die met Broadway egoistisch prestige zoeken. Dit maakt Riggan kwaad. Als slachtoffer moet hij aanzien wat zij met zijn levenswerk zal doen.
Riggans reactie daarop is een gefrustreerd monoloog waar de filmmakers achter lijken te staan. De argumentatie draait om de nutteloosheid van labelen. Iets is mooi, iets is goed, iets is slapjes, gewoontjes, gaat vlot, heeft een interessant concept. Critici doen dit continu en zijn daarom slecht. Keatons personage propagandeert voor creatie als alternatief voor kritiek. Hij zegt dat het beter is om te maken dan om ergens iets van te vinden, alleen verwoordt hij het iets directer en absoluter. De film vindt dit ook, omdat het Riggan gelijk geeft. Na de voorstelling waarin hij alles gaf, overtuigt hij de criticus alsnog een overweldigend positieve recensie te schrijven. Ook is haar naam niet al te subtiel: Dickinson. Dat Riggan tegen het einde van de film niets geeft om die recensie, beaamt sterker het perspectief dat Birdman heeft op de zinloosheid van haar levenswerk. Het recenseren, invloedhebbende teksten schrijven en andermans creatieve werk categoriseren loont niet.
Heeft Riggans monoloog een punt? Het voelt goed om als talentvolle maker zielige critici te bekritiseren. Te zeggen dat ze pas recht van spreken hebt als ze wat gemaakt hebben. Maar labelen is niet iets exclusief voor machtige critici. Het is menselijk. Het publiek doet het ook, maar kan dit niet zo exact verwoorden, mist context of een ‘verfijnde’ smaak. Dat is niet erg. Elke onbenullige zwerver kan met genoeg geld een theaterstuk of film binnenwalsen en een vervormde mening hebben. Ik zie een criticus als niet meer dan een publiekslid met een gerafineerdere en door zijn invloed ook ‘belangrijkere’ mening.
Riggans argumentatie impliceert dat het publiek, inclusief de critici, iets moet waarderen (kwaliteit) omdat er een hoeveelheid moeite (kwantiteit) in is gestoken. Dit is onterecht. Een kind van twee kan nog zijn hart en ziel leggen in een tekening en hier uren over doen, dat maakt deze niet het loven waard. Het laat zien dat deze makers het liefst willen dat kritisch publiek hun bek houdt en zelf maar eens wat moet maken – of in ieder geval proberen en falen. Alleen: wat als je een succesvolle kunstenaar bent en je de film óók ruk vindt? Makers zijn ook onderdeel van het publiek. Door zo emotioneel te reageren laat je zien dat de waardering van anderen belangrijker voor je is dan het maken van iets waar je zelf in gelooft. In het beste geval respecteer je andermans mening niet over iets wat je hebt gemaakt, waarschijnlijk juist omdat het zo persoonlijk is.
Labelen doe ik hier ook. Over of Birdman meer een kunstfilm of publieksfilm is, over de intenties van de filmmakers en wat de thema’s volgens mijzelf inhouden. Het is menselijk om te categoriseren en begrijpen, concludeert Riggan zelf ook. Het publiek dat dit bij zijn voorstelling doet reageert gelukkig niet zo koud als criticus Dickinson dat doet. Maar zij blijven wel mens. Een filmregisseur met zijn acteurs proberen in een film het menszijn zo authentiek mogelijk neer te zetten, in de hoop dat wij als publiek komen tot nieuwe inzichten. Dat makers naderhand boos worden omdat we labelen als imperfecte mensen – diezelfde mensen die ze zelf in films presenteren – is eigenlijk wel hilarisch.
